Het schraal grasland

Schrale graslanden kwamen vroeger veel vaker voor in Nederland. Ze zijn ontstaan door eeuwenlang extensief landgebruik, zoals maaien, plaggen en begrazing. Door bemesting en intensieve landbouw zijn deze graslanden tegenwoordig zeldzaam geworden. In heemtuinen en natuurgebieden worden ze daarom bewust beheerd en behouden.

Het grasland in de Heemtuin Malden is aangelegd op een voormalige roggeakker. Door jarenlang maaien en het afvoeren van het maaisel is de bodem steeds voedselarmer geworden. Hierdoor heeft zich een vegetatie ontwikkeld die tegenwoordig nog maar zelden in Nederland voorkomt.

Dit grasland behoort tot de zogenoemde heischrale graslanden: vegetaties die kenmerkend zijn voor droge, zure en voedselarme zandgronden. Omdat de bodem weinig voedingsstoffen bevat en slecht vocht vasthoudt, kunnen hier relatief weinig plantensoorten groeien. De soorten die er voorkomen zijn vaak klein, taai en goed aangepast aan deze omstandigheden.

Wanneer de bodem verder verschraalt, krijgen heidesoorten meer ruimte. Zo kan een geleidelijke overgang ontstaan van grasland naar heide – een proces waaraan heischrale graslanden hun naam danken. In de Heemtuin verloopt deze overgang geleidelijk en natuurlijk: het grasland gaat slingerend over in heide.

Flora

Ondanks de voedselarme bodem is het grasland verrassend soortenrijk. Juist de schrale omstandigheden bieden ruimte aan veel kleine en vaak bijzondere plantensoorten die slecht tegen bemesting kunnen.

Kenmerkende soorten zijn onder andere:

 

Ondanks de voedselarme bodem is het grasland verrassend soortenrijk. Juist de schrale omstandigheden bieden ruimte aan veel kleine en vaak bijzondere plantensoorten die slecht tegen bemesting kunnen.

Kenmerkende soorten zijn onder andere:

viltganzerik, muizenoortje, schapenzuring, muurpeper, akkerhoorn, buntgras, grasklokje, zandblauwtje en sint-janskruid.

 

Op iets voedselrijkere plekken, zoals de randen langs de haag, groeien soorten als hemelsleutel en paarse dovenetel.

Het grasland ligt bovendien op een sterk verdrogingsgevoelige bodem. Hierdoor kan het beeld van jaar tot jaar sterk verschillen. Na een droog voorjaar en/of een droge zomer staan er minder grassen en grijpen kortlevende soorten, zoals zandblauwtje, hazenpootje en schapenzuring hun kans. Na normale of regenrijke zomers neemt de bedekking van grassen weer toe, ten koste van deze kortlevende soorten.

Fauna

De grote variatie aan bloeiende planten maakt het schrale grasland aantrekkelijk voor insecten. Vooral wilde bijen, zweefvliegen en vlinders vinden hier nectar en stuifmeel.

Typische vlinders van dit type grasland zijn onder andere het icarusblauwtje, het bruin zandoogje en verschillende dikkopjes. Zij zijn afhankelijk van specifieke waardplanten die juist in voedselarme omstandigheden voorkomen.

Ook sprinkhanen voelen zich thuis in dit droge en zonnige milieu. Soorten zoals de bruine sprinkhaan en het knopsprietje laten zich op warme dagen vaak horen tussen het gras.

De bloemen trekken daarnaast vele andere insecten aan, zoals kevers en mieren. Deze vormen op hun beurt weer voedsel voor vogels die in open landschappen naar insecten zoeken.

Door jaarlijks delen van het grasland te laten staan, blijft er beschutting aanwezig voor insecten, spinnen en kleine zoogdieren. Het grasland wordt beheerd volgens de methode van sinusmaaien. Dit zorgt voor variatie in hoogte en leeftijd van de begroeiing en vergroot de biodiversiteit. Door het maaisel steeds af te voeren, blijft de bodem voedselarm, waardoor kenmerkende soorten van het schrale grasland zich kunnen handhaven en uitbreiden.