Over het klimaat en hoe het verandert wordt veel gesproken en geschreven. Behalve Het Klimaat bestaan er tal van microklimaten. Dat zijn de zeer plaatselijke hoeveelheid neerslag, temperatuur en invloed van de wind die te maken hebben met de ligging ten opzichte van de zon, met de begroeiing en met de samenstelling van de grond.


Op de hei kan het overdag in de zon bijzonder heet worden, maar ’s nachts koelt het fors af, bij vorst is het dan al gauw strenge vorst. Alleen planten en dieren die daartegen bestand zijn kunnen er leven. Bekend is ook, dat een stedelijke omgeving met veel steen en weinig groen een paar graden warmer is dan het omringende platte land.


Nu we deze zomer te maken hadden met een extreme droogte en warmte, hebben we kunnen merken hoe prettig toeven het is in een bos. Bos nivelleert alle extremen in het weer. Schaduw en het vocht dat aanwezig is in de bladeren zorgen ervoor dat de temperatuur niet te hoog wordt. Als het regent blijft veel water in de kroonlaag van de bomen hangen, dat pas later voor een deel naar beneden valt. Zo duurt een bui veel langer, maar is wel minder hevig. Als het stevig waait hoor je boven je de boomtoppen heen en weer zwiepen, maar op de bospaden voel je er niet zoveel van. Alleen bij storm is het beter niet het bos in te gaan, het geweld van een omwaaiende boom moet je maar niet van dichtbij meemaken!


Microklimaat

Het bos in de Heemtuin Malden is een gemengd loofnaaldbos, met een grote diversiteit aan bomen en struiken die thuishoren op zandgrond. De dieren die er leven vinden beschutting, een plek om jongen groot te brengen en voedsel. Ook tijdens de droogte zijn er altijd nog wel bessen te vinden of sappige bladeren. Rupsen die sappige bladeren hebben gegeten zijn op hun beurt weer een heerlijk hapje voor mezen.


Een bijzondere groep dieren leeft op de meest inheemse boom die we kennen: de Hollandse eik. Dat zijn galwespen. Op eiken leven wel 40 soorten galwespen en ze benutten alles: bladeren, knoppen, bloemen, takjes en wortels. Dat wil zeggen: één soort wesp benut één deel van de waardplant. Dat benutten leidt tot de vorming van een gal. Wanneer bijvoorbeeld het insect aan de onderkant van een eikenblad of in een knop een ei legt, voegt ze er meteen chemische stoffen aan toe, die de eik extra cellen laten maken op die plek, een soort wildgroei, waardoor een bolletje of een schijfje wordt gevormd. Dit bolletje blijkt vervolgens een ideale huisvesting te zijn voor de larve die uit het ei komt. Naast beschutting heeft hij er ook eten in overvloed. Hij verpopt erin en als het volwassen insect uit de pop is gekropen knaagt het een gaatje naar buiten en vliegt weg. Soms is de afloop niet zoals bedoeld, dan wordt de gal bevolkt door parasieten, mee-eters of onderhuurders. Daarmee is een gal een microsamenleving in een microklimaat.


Tekst Loes van der Meij, foto’s Emmy Meijers


Klimaatzones in  herfstbos

Leven op kleine voet?

Stuitergal en plaatjesgal op eik
 
Bes van lensgalwesp op bloemen van eik in voorjaar
 
Aardappelgal met indringer
 
Eikenroosje of ananasgal