De heide is een van de karakteristieke elementen van het vroegere cultuurlandschap. Door de kap van bossen en door rooflandbouw zijn uitgestrekte heidevelden ontstaan. In deze streek strekte zich die uit van Nijmegen tot aan Plasmolen. Nu zijn daar nog maar enkele restanten van over, zoals o.a. de Mookerhei. Het grootste deel is weer bebost of werd in gebruik genomen als landbouwgebied. Vroeger was de heide van groot belang voor de landbouw.


Op de uitgestrekte heide liet men schaapskudden grazen. De mest van de schapen kwam voor een groot deel in de potstallen waarvan de bodem regelmatig werd “ververst” met heideplaggen.

Na verloop van tijd werd de potstal uitgemest en het mengsel van mest en plaggen gebruikt om de akkers vruchtbaar te maken. Op de heide werden ook bijenkorven geplaatst. Gemaaide heidestruiken gebruikte men om borstels en bezems van te binden. Aan het eind van de vorige eeuw verdwenen de heideschapen grotendeels van de heide. De heide wordt voor vergrassing behoed door om de vijf jaar de heide te maaien en het maaisel af te voeren. Ook wordt er jaarlijks een sterk vergrast gedeelte afgeplagd.

 

Biotopen

De Heide